Waarom eten we de ruimte op?

Van wie is de ruimte eigenlijk?

Waarom eten we de ruimte op?
Brusselse Ring in Zellik, Google Earth. 

In het zo verguisde Sint-Jans-Molenbeek staan op weekdagen in alle straten ’s ochtends lange linten auto’s. Tergend traag druppelt de ene na de andere pendelaar via de verpauperde gemeente het Brussels Gewest binnen. Niet om er koffie te drinken of de lokale economie te stimuleren, en al zeker niet voor sociaal contact, maar om er via de weg van de minste weerstand dwars doorheen te rijden. Geen terreuraanslag deed die stroom afnemen. Dan rijst de vraag: waarom dient elk Molenbeeks steegje dagelijks een uur of drie zo intensief het privé-nut van de pendelaar? Of bitser gesteld: waar verdienen de Molenbeekse kinderen al die dieseldampen eigenlijk aan? Waar is de wederkerigheid? Wie betaalt hier wat en voor wie? En waarom? Van wie is de ruimte eigenlijk?

Van wie is de stad, als pendelaars met hun auto’s in stadswijken stilstaan? Wat als er geen publieke ruimte meer overblijft in een miljoenenstad, omdat alles is volgebouwd?

Wat als steden investeren in auto’s? Wat als een nieuwe woontoren zich afzondert van de nabije omgeving, onder het mom van veiligheid en esthetiek? Wat als wie het zich kan veroorloven, zich terugtrekt in enclaves? Wat als enclaves alles zelf doen, steden-in-steden worden en mensen er niet meer uit komen? Wat als steden geen welkomstverhaal hebben voor nieuwkomers? Wat als steden niet investeren in een toekomstproject?

Wat als de kernstad erop vooruitgaat, maar het hele concept van publieke ruimte, vijf kilometer verderop, in de rand, helemaal de andere kant opgaat? Wat als een stad uit haar voegen barst en besturen vasthouden aan een verschil tussen stad en rand?

Wat als we de ruimte helemaal blijven oppeuzelen?

MO* sprak met vijf mensen uit drie stedenbouwkundige bureaus en polste naar hun visie op de stad en de ruimte: Joachim Declerck (architect, Architecture Workroom), de Belgisch-Boliviaanse Sofia Saavedra (ingenieur-architect, Supersudaca) en bij OMGEVING spraken we naar aanleiding van het project “Over de Rand” met Jonas De Maeyer (stedenbouwkundige), Pieter Van den Broeck (ruimtelijk planner) en Filip Lagiewka (ruimtelijk planner).

‘Ruimtelijke ordening is een maatschappelijk debat. Iedereen moet beseffen dat we zo niet verder kunnen’

Alle vijf vinden ze het vanzelfsprekend om met een ruime blik naar ruimte en stedenbouw te kijken. ‘Ruimtelijke ordening is een maatschappelijk debat. Iedereen moet beseffen dat we zo niet verder kunnen’, zegt De Maeyer. Allen constateren ze dat de ‘gedeelde ruimte’ (Declerck) of de ‘collectiviteit’ (De Maeyer) verdrukt wordt. Omdat het verhaal te eenzijdig is. ‘Het ruimtelijk beleid is dringend aan herziening toe’, is de eerste zin van het pas verschenen boek van OMGEVING Over de rand.

Vlaanderen kent sterk verspreide bebouwing. ‘Wij willen begrijpen hoe privé-eigendom van onroerend goed die fragmentering aanstuurt’, zegt Pieter Van den Broeck. Het gaat om de afgelopen zestig à zeventig jaar.

‘De overheid ging hard mee in een meerwaarde- of opwaarderingsscenario’, verklaart Declerck, ‘maar als we alleen daarop verder inzetten, dreigt voor een stad als Brussel verarming. Dan maak je er een luxe-woonparadijs van voor welgestelden die zich in beveiligde prestige-projecten terugtrekken.’

Spatial Fix

Waarom wordt ruimte opgegeten? Omdat je met ruimte, of die nu publiek of privé is, aan het hart van de economie raakt. Binnen het kapitalisme worden waarde en groei verondersteld toe te nemen. Stadsplanning is overal en altijd ingezet als middel voor expansie, om economische problemen op te lossen. Als oplossing… die er geen is. Of tijdelijk, tot het omslagpunt is bereikt en de volgende crisis eraankomt. ’Steden’, stelt sociaal geograaf David Harvey onomwonden, ‘worden gebruikt om in te investeren, niet om ze goed te organiseren of leefbaar te maken.’ Harvey noemt dat de Spatial Fix: iets “fiksen” door ruimte vol te bouwen. Dat zie je op steeds grotere schaal.

Grafitti in Antwerpen. Nothing to say, I just like this style.
Photo by Mika Baumeister / Unsplash

Haussmann deed het binnen één stad: het Parijs van omstreeks 1867. De schaal werd groter toen de Amerikanen buitenwijken bouwden rond steden na Wereldoorlog II. Vandaag exporteert China de Spatial Fix in de vorm van mankracht, staal en cement naar Afrika en Zuid-Amerika, op nooit eerder geziene schaal en pleegt roofbouw op de hele aardbol. Angstaanjagend, vindt Harvey.

’Steden’, stelt sociaal geograaf David Harvey onomwonden, ‘worden gebruikt om in te investeren, niet om ze goed te organiseren of leefbaar te maken.’

Groei is vandaag de verkeerde oplossing, besluit Harvey. En dus moet Spatial Fix ontmaskerd worden. Wanneer de Vlaamse overheid er maar gedeeltelijk in slaagt wijzigingen aan het Structuurplan goed te keuren, maar wel verkavelingsvoorschriften losser maakt, dan loert ook hier een nieuw rondje Spatial Fix om de hoek. Wanneer een projectontwikkelaar toch nog wel verkavelt, ‘maar toch al veel minder dan in de jaren 1970’: nog altijd die Spatial Fix. Wanneer bouwen ‘opwaarderen’ wordt: het blijft een Spatial Fix.

Grenzen aan de groei vinden beleidsmakers meestal angstaanjagend. Ze huiveren bij de lage groeicijfers van de VS, Japan en de EU. Ironisch genoeg genoeg vergeten we hoe vriendelijk die lage groei juist is vanuit ecologisch standpunt, zegt David Harvey. We vergeten dat het kan omslaan.

In 1997 keurde Vlaanderen het Ruimtelijk Structuurplan goed. Tussen 1988 en 1999 remde dat de gefragmenteerde bebouwing af, maar vanaf 1999 werd het weer versoepeld. ‘Het ruimtelijk structuurplan heeft slechts kort een belangrijke rol kunnen spelen in de jaren 1990’, vindt Pieter Van den Broeck. ‘Het zorgde wel voor een vertraging van het tempo van de fragmentering.’

Van den Broeck is betrokken bij het onderzoek The Indigo Project. Innovating Spatial Development Planning by Differentiating Land Ownership and Governance aan de KU Leuven. OMGEVING maakt één van de gevalstudies. Indigo begon met het inzicht dat één van de motoren achter het Vlaamse systeem van bouwvergunningen het eigendomsprincipe is.

Stadsplanning als economische panacee heeft bovendien een prijs. Andere factoren moeten in rekening worden gebracht. ‘De waarde van grond is een eenzijdige benadering’, merkt De Maeyer op. ‘We moeten de werkelijke waarde van de open ruimte in kaart brengen: luchtvervuiling – onze verplaatsingen zijn een indirect gevolg van onze ruimtelijke ordening, te weinig water voor landbouw, overstromingen in slecht gelegen gebied, enzovoorts. Intussen kunnen wij de gezondheidskosten berekenen, maar dat vind je nog altijd niet terug in het beleid. Het moet voor het beleid duidelijk zijn dat er economische kosten zijn als je geen respect hebt voor de open ruimte.’

Het verdwijnen van de gedeelde ruimte

Ondertussen is het toch wel vreemd dat niemand bang is van stadsplanning. Politici en besturen houden vast aan de opvatting dat je gecreëerde welvaart moet behouden. We zijn er juist bang voor om die groei en verstedelijking te doen stoppen, of terug te draaien. ‘Zodra we die doos van Pandora openen, rijden we ons in het maatschappelijk debat meteen vast in dogmatische discussies’, stelt Joachim Declerck.

Bewoners van problematische, want verouderde, door openbaar vervoer slecht ontsloten, in verspreide slagorde gebouwde villa’s zullen het recht op doorverkoopwaarde claimen als een appeltje voor de dorst, zelfs al druist dat in tegen nieuwe maatschappelijke ruimtebehoeften. De villa in Brasschaat moet nog iets opbrengen. Maar wat als dat ingaat tegen het algemeen belang? Het is een verhaal van de vorige eeuw, klinkt het duidelijk bij stedenbouwkundigen.

Photo by Victor Smits / Unsplash

Die zullen allang bestudeerd hebben welke villa’s het best gesloopt worden in het raam van verdichting versus verdunning. Zij zoeken methoden om de bewoners eventueel te compenseren. ‘Misschien belanden we op het punt dat we moeten erkennen dat zij die jarenlang hebben genoten van meer dan gemiddelde ruimte hun compensatie al hebben gehad’, stelt Van den Broeck.

‘Hoe ver offeren we de publieke ruimte nog op enkel voor particulier nut?’

‘Slechts 35 procent van de Belgen woont op loopafstand van een station. In Zwitserland is dat 70 procent’, zegt Joachim Declerck. ‘Hoe verwachten we een goede bereikbaarheid te blijven garanderen in een fragmenterend landschap? Hoe ver offeren we de publieke ruimte nog op enkel voor particulier nut?’

Het verdwijnen van gedeelde ruimte is de kanarie in de koolmijn: er moet iets veranderen. Vandaag trekken niet enkel theoretici of linkse ideologen aan de alarmbel. De roep komt volgens Declerck van ‘individuele burgers en bedrijven die duidelijk zien dat ze het niet meer alleen redden’.

Het watervraagstuk illustreert dit probleem goed: te veel water, te weinig water. Er zijn particuliere antwoorden. Individuele landbouwers die een dijkje bouwen. Provincies die in waterbekkens voorzien. ‘Zo komen we er niet’, zegt Declerck.

Wachten op een totaalplan?

Aan plannen, ideeën en studies is geen gebrek. De overheid besteedt daar geld aan en ook aan de uitvoering. ‘Het is de tussenschakel die vaker ontbreekt. Het gevaar bestaat dat iedereen wacht op een totaalplan dat alles moet oplossen’, zegt Joachim Declerck. Hij gelooft niet dat zo’n totaalplan er ooit komt. ‘We moeten het veel meer hebben van visionaire pragmatiek, van samenwerking tussen publiek en particulier belang.’

‘Hoe kom je tot een goed beheer van een gedeelde ruimte zonder absolute controle van bovenaf en zonder willekeur van onderuit?’

Het antwoord van de stedenbouwkundigen valt niet te reduceren tot publiek tegenover privé. Het is genuanceerder. ‘Hoe open kan je gaan in een context van sociale exclusie? Hoe kom je tot een goed beheer van een gedeelde ruimte zonder absolute controle van bovenaf en zonder willekeur van onderuit?’ vraagt Saavedra.

De antwoorden dagen ons uit in ons denken. Pieter Van den Broeck ontdekte dat er nog betrekkelijk weinig studie is verricht naar hoe eigendom doorwerkt op de fragmentering van ruimte.

‘Het ligt ingewikkelder. Er is publiek eigendom, maar het concept collectief eigendom is in 1847 theoretisch en juridisch verdwenen. Wel zijn er nog restanten in wetgeving. Maar ook in de praktijk bestaan vandaag nog een aantal eigendomsvormen tussen privaat en publiek. Een appartementsgebouw bijvoorbeeld is een vorm van collectief eigendom.’

Photo by Rad Pozniakov / Unsplash

Rehabilitatie van collectief eigendom

Een oplossing kan liggen in rehabilitatie van collectief of gedeeld eigendom. ‘We moeten het hele woonlandschap als gemeenschappelijk zien’, vindt Joachim Declerck. ‘Net zoals we een gemeenschap van eigenaars hebben in een flatgebouw, hebben we ook een gemeenschap van eigenaars in een verkaveling. Dit bestaat nog niet, maar we zullen het misschien wel in het leven moeten roepen.’

In het watervraagstuk hierboven is een gedeelde ruimte nodig waar ruimte voor water ontstaat en water gebufferd kan worden. ‘Niet voor één persoon, maar voor velen’, argumenteert Declerck, die besluit: ‘Het commons-vraagstuk is echt een heel praktisch vraagstuk aan het worden.’

‘Je neemt ruimte in voor genot, maar wat geef je terug? We moeten verder kijken dan eigendomsdenken’

Kortom, onze blik mag ruimer, maar vooral scherper gericht worden op reële uitdagingen.

Onze gesprekspartners gaan nog niet zo ver, maar betekent het niet dat de eigenaar van privé-eigendom ook nadenkt over die ruimte als iets gemeenschappelijks en over zichzelf als de tijdelijke behoeder ervan?

‘Je neemt ruimte in voor genot, maar wat geef je terug? We moeten verder kijken dan eigendomsdenken’, vindt Van den Broeck. ‘Wat zijn onze rechten en plichten? In de binnenstad zijn plichten misschien sterker aanwezig, omdat je meer rekening moet houden met anderen. Maar eigenlijk speelt die zelfde logica ook in randgemeenten, kleine dorpen en gehuchten.’

Het is een evolutie naar een denken dat zegt dat je ruimte slechts even gebruikt, in de loop van een mensenleven bewaart en verzorgt, om ze daarna door te geven.

De pragmatische overheid

Iedereen benadrukt dat de overheid een belangrijke rol heeft te spelen. De situatie is ernstig, maar nog niet verloren. In Vlaanderen zijn er zeker succesverhalen, omdat de overheid ze goed begeleidde en slim ondersteunde. ‘Denk aan OVAM en het recyclageverhaal,’ aldus Joachim Declerck, ‘maar ook aan kern- of stadsvernieuwing, die ertoe leidde dat het in steden zoals Mechelen en Deinze goed leven werd.’

‘Een binnenstad in Vlaanderen heeft meer collectieve ruimte dan de stadsrand’, zegt Pieter Van den Broeck. Dit zette OMGEVING ertoe aan meer op de stadsrand te werken. ‘Daar is weinig aandacht voor van het beleid, maar er is veel winst te behalen’, vindt Jonas De Maeyer. ‘Ban de auto in Brussel en je wint 50% aan ruimte’, berekende Architecture Workroom nog.

’Een nieuw sociaal contract is nodig: realiseer gerust verder je particuliere dromen, maar niet om het even hoe.’

‘Michiel Dehaene, docent Stedenbouw aan de UGent en voorzitter van Architecture Workroom, concludeert dat een nieuw sociaal contract nodig is tussen de overheid en de burger over ruimte’, aldus Declerck. ’Daarbij zeg je: realiseer gerust verder je particuliere dromen, maar niet om het even hoe. Niet met om het even welke gevolgen, want anders moeten we dit met de collectieve portemonnee toch dragen.’

‘De overheid kan de regie voeren’, zegt Jonas De Maeyer. Om anders over bodemwaarde te denken en misschien een compensatiesysteem in het leven te roepen. Om samenwerking tussen publieke en particuliere actoren te faciliteren. Om die laatsten stimuli te geven die een groter maatschappelijk plaatje dienen. Om nieuwe woonvormen zoals Community Land Trusts te ondersteunen. De overheid kan wetgeving veranderen. ‘De wetten die in 1847 inzake collectiviteit zijn afgeschaft, kan je opnieuw instellen’, suggereert Van den Broeck. ‘Het gaat om een actieve overheid, maar ook niet eentje die alles doet’, denkt Declerck.

Twee extremen

Er zal in de komende dertig jaar in woongebieden in ieder geval beter gestapeld en georganiseerd moeten worden: ruimte voor lokaal maakwerk, ruimte voor lokale voedselproductie, energievoorziening, recreatie, zacht vervoer, en gegroepeerd parkeren. Opnieuw korte ketens. De overheid zal ten slotte anders naar ruimte moeten kijken.

Wat als de overheid niet ingrijpt? Extreme scenario’s zijn al een realiteit in Noord- en Zuid-Amerika, zoals extreem gesloten gated communities en het recht in eigen hand nemen achter gesloten poorten.

Wat als de overheid niet ingrijpt? Extreme scenario’s zijn al een realiteit in Noord- en Zuid-Amerika, zoals extreem gesloten gated communities en het recht in eigen hand nemen achter gesloten poorten. Kiezen we voor die weg?

‘In Zuid-Amerika is het een politiek probleem en staat democratie onvoldoende garant voor openbare ruimte’, zegt Saavedra. ‘Dat werkt privatisering sterk in de hand. De inrichting van de openbare ruimte is de verantwoordelijkheid van de staat, maar slaagt deze er niet in dan wordt deze ruimte ingenomen door burgers met  een politiek tegenovergestelde visie: zij die geloven in het marktdenken en beveiligde shoppingcentra bouwen (stad voor het kapitaal) , en zij die via andere initiatieven proberen om toch nog een sociale functie te geven aan die openbare ruimte (stad voor de mensen). Van beide scenarios zijn in Zuid-Amerika duizenden voorbeelden van.’

‘Bottom-up is niet genoeg’

‘Supersudaca hield een lezing in São Paulo met als slogan “Bottom-up is niet genoeg”’, aldus Saavedra. ‘Het is een fenomeen: allemaal collectieven die in de open ruimte interventies doen, maar wij bleven benadrukken dat staatsinterventie nodig is. Het schrikbeeld van uitgestrekte sloppenwijken zoals Pachacutec in de buitenwijken van Lima maakt dit in een oogopslag duidelijk: het koloniale grid-patroon werd ook hier verder gezet, maar ongeveer voor 1.000.000 inwoners ontbreekt water,  riolering  en openbaar groen. Willen we dat? Neen, zeggen wij.’

Supersudaca doet aan arquitectura directa of ingrepen in de openbare ruimte ten voordele van sociale inclusie.

Voor de Biënnale van São Paulo zochten ze een antwoord voor de laatste open ruimte in het dichtgebouwde centrum van São Paulo. Ze nodigden  allerlei actoren uit, waaronder de bewoners uit de buurt en het theatergezelschap dat zich al dertig jaar inzette om deze plek weliswaar als plek voor openlucht theater in eigen beheer “open”  te houden.

‘Wat begon als idealistische “common” kreeg een structuur, met regels en een zachte bewaking van die regels.’

‘Een grote projectontwikkelaar, die andere commerciële ontwikkelingsplannen had met de plek (een shopping), was ook gevraagd, maar daagde niet op. Iedereen was het snel eens dat een park ontbrak in de buurt en ze ontwierpen en bouwden een miniatuur van de plek dat als park en podium voor openlucht theater diende. Bij de aanvang leek het te mislukken. Het was te open en we kregen meteen bij de opening van te maken met diefstal’, zegt Saavedra. ‘Er werd, mede aangestuurd door PhD studenten van KU Leuven door de later opgerichte actiegroep Terreyro een nieuwe locatie gekozen, onder een brug werd een publieke ruimte heroverd. Wat bleek: het was een open plek, waar iedereen een programma kan voorstellen en ook de daklozen die er zich veiliger voelden dan elders, terecht konden… maar er dienden huisregels te worden opgesteld over wat er kon en niet kon. Een beperkte groep mensen moest daar noodgedwongen over waken. Wat begon als idealistische “common” kreeg een structuur, met regels en een zachte bewaking van die regels.’

Visionair pragmatisme

‘Genoeg mensen met visie, maar het is moeilijk de kritische massa te bereiken’, vindt Jonas De Maeyer. Toch beseft hij dat kleinschalige dingen zin hebben. Ze worden wel degelijk opgepikt.

In Over de Rand deed OMGEVING het voorstel om een stuk van de E17 door te knippen. Dit werd met politici afgetoetst. Die dingen worden nu door de stad Gent meegenomen in het structuurplan; de stad onderzoekt de impact. ‘Zo komen dingen gewoon terug in de burgersamenleving, niet uit nostalgie maar omdat ze duurzamer en socialer zijn’, besluit De Maeyer.

Het sluit goed aan bij het soort visionaire pragmatisme – versus onuitvoerbare totaalplannen – waar Joachim Declerck voor staat: ‘Via concrete probleemstellingen kan je experimenteren om te leren en geleidelijk te evolueren.’

Architecture Workroom Brussels (www.architectureworkroom.eu) is een denk- en doetank van architecten en stedenbouwkundigen die zich over over maatschappelijke problemen buigen als planners en facilitators tussen actoren. Ze passen Design Thinking toe op ruimtelijke ordening.

OMGEVING (www.omgeving.be) uit Antwerpen is een coöperatie opgericht in 1973 die met haar meer dan vijftig leden actief is op drie terreinen: landschap, architectuur en stedenbouw. Interdisciplinaire teams doen in dit bureau aan onderzoek, ontwerp en uitvoering, en zoeken in elk project naar maatschappelijke meerwaarde. Zij publiceerden zopas het boek Over de rand bij Public Space.

​Supersudaca (www.supersudaca.org) is een netwerk van zeven architectenbureaus vooral actief in Zuid-Amerika (sudaca: ‘slang’ voor Zuid-Amerikaan). Ze doen o.a. onderzoek naar diverse onderwerpen die onze omgeving beïnvloeden. All inclusive toerisme, de invloed van China in Afrika en Zuid-Amerika (‘Troyan Dragon’), collectieve woningbouw zijn enkele van de themas die ze van Cancun tot Cambodja onderzochten . Ze begeleiden interventies in de openbare ruimte (Arquitectura directa).

Dit artikel werd geschreven voor MO*magazine. U kan hier een jaarabonnement nemen!

Reacties

Log in of word gratis Zeronaut.be lid om deel te nemen aan de conversatie.
Geef je email in en je ontvangt een login-link.